De PVV telt formeel één lid, Geert Wilders, en op 18 mei 2026 waarschuwde de Raad van State dat een Kamermendement dat partijen zonder leden van verkiezingen uitsluit te ver gaat. Het amendement wil in de Wet Politieke Partijen vastleggen dat partijen leden moeten toelaten en die leden minstens eens per vier jaar laten meebeslissen over programma en kandidatenlijst. De Raad van State noemt het middel van uitsluiting een te zware inbreuk op het passief kiesrecht. De Tweede Kamer moet nu verder overwegen hoe die interne democratieregels concreet en juridisch houdbaar worden gemaakt.

De kern van het probleem is eenvoudig en hard. Het voorgestelde amendement schrijft in de Wet Politieke Partijen voor dat partijen die meedoen aan Tweede Kamer- en Europees Parlementsverkiezingen leden moeten toelaten. Die leden moeten vervolgens minstens eens per vier jaar invloed krijgen op het partijprogramma en op de kandidatenlijst. De initiatiefnemers, onder wie Kamerlid Joost Sneller (D66), beogen zo interne democratie binnen partijen af te dwingen.

Raad van State: instrument te zwaar

De Raad van State erkent dat de Grondwet ruimte laat voor wetgeving over partijdemocratie. Maar de juristen van de Raad oordelen dat het Kameramendement op wezenlijke punten onvoldoende onderbouwd is. Zij schrijven dat de indieners niet toelichten waarom de voorgestelde beperkingen noodzakelijk en proportioneel zouden zijn om de democratie te beschermen en te versterken. Met name het middel om partijen bij niet-naleving van de regels van deelname aan verkiezingen uit te sluiten, kwalificeert de Raad expliciet als een te vergaande beperking van het passief kiesrecht.

Dat oordeel slaat direct terug op de praktische werking van het amendement. Volgens commentaren zou een partij zonder leden of een blanco lijst zonder partijaanduiding onder de tekst van het amendement niet meer kunnen deelnemen aan verkiezingen. De Raad beschouwt zulke uitsluitingsmechanismen als zwaarwegende sancties die grondrechtelijk goed gemotiveerd moeten worden, en dat ontbreekt volgens het advies.

Politieke en praktische consequenties

Concreet raakt het amendement de PVV. Die beweging kent geen formele ledenstructuur en actieve politieke functionarissen zijn doorgaans geen formeel partijlid. De PVV telt formeel één lid, Geert Wilders. Tegenstanders van het voorstel waarschuwden van meet af aan dat het instrument in de praktijk vooral één partij kan treffen. Wilders noemde eerdere voorstellen een "totalitaire reflex" en zei dat de overheid niet mag bepalen hoe een partij eruitziet. Die woorden gebruikte hij al toen de discussie in december 2025 oplaaide, toen D66 een vergelijkbaar wetsvoorstel presenteerde.

D66 zelf bracht die eerdere versie in december 2025 naar buiten. Joost Sneller zei toen: "De kern van mijn voorstel is dat in een democratie elke politieke partij intern ook democratisch moet zijn." Dat citaat blijft de normatieve ruggengraat van het amendement, maar het Juridische oordeel van de Raad van State dwingt tot precisering.

De Raad vraagt om meer onderbouwing waarom de specifieke eisen en de voorgestelde sanctie in verhouding staan tot het doel.

Politiek verandert daardoor de rekensom. Eerder leken partijen als CDA, ChristenUnie, Dierenpartij en Volt positief over een ledenplicht. Maar na het advies van de Raad houden zij hun oordeel open en willen eerst het juridische advies bestuderen. Tegenstanders zijn onder meer JA21, Forum voor Democratie en BBB. Fracties als Denk, SGP, SP en 50Plus twijfelen nog. Een afgesplitste fractie rond Gidi Markuszower heeft nog geen standpunt ingenomen en kan bepalend zijn voor de uitkomst als de Kamer alsnog over het amendement stemt.

De Raad van State formuleert nadrukkelijk terughoudendheid als vertrekpunt. Zwaardere sancties, en dan vooral uitsluiting van deelname aan verkiezingen, vormen een ingrijpende rem op het passief kiesrecht en vereisen volgens de Raad een grondige juridische en beleidsmatige motivering. Zonder die motivering kan de Kamer het risico lopen wetten te maken die praktisch onhaalbaar blijken of die grondrechten in te ruime mate beperken.

Voor voorstanders van interne democratie binnen partijen is de boodschap dubbel. Enerzijds is het draagvlak voor maatregelen om leden invloed te geven niet verdwenen. Anderzijds is de gekozen instrumentarium onderwerp van discussie geworden. Er is nu ruimte voor alternatieven die minder ingrijpend zijn dan uitsluiting, of voor een aangescherpte motivering die de Raad van State wel overtuigt van de proportionaliteit van het middel.

De juridische kritiek van de Raad betekent niet dat er geen verandering mogelijk is. Wel dat de Tweede Kamer zorgvuldig moet aangeven waarom en hoe regels die de interne organisatie van partijen raken noodzakelijk zijn.

Het gaat om twee vragen. Wat wil de Kamer precies bereiken met verplichte ledenparticipatie? En welke middelen zijn daar juridisch gezien passend bij?

De uitkomst heeft directe consequenties voor de manier waarop nieuwe en bestaande partijen zich organiseren. Als de Kamer terugkomt met een aangescherpt voorstel, dan zal dat voorstel de motivering moeten leveren die de Raad nu mist. Als de Kamer niet terugkomt met die motivering, dan kan een meerderheid voor het amendement politiek moeilijker worden, omdat partijen hun standpunt eerst op juridische gronden willen bepalen.

Related Articles

De volgende stap is dat de Tweede Kamer het advies verwerkt in de lopende behandeling van de Wet Politieke Partijen. Zonder een duidelijk juridisch verhaal over waarom en in welke verhouding maatregelen nodig zijn, zal een verplichte ledenparticipatie moeilijk steun vinden.

Dit artikel is gemaakt met behulp van AI.