68 jaar is de richtleeftijd bij veel werkgeverspensioenen, en dat vergroot het risico op een tijdelijk inkomensverlies tussen AOW en werkgeverspensioen. De AOW-leeftijden blijven gekoppeld aan de levensverwachting; in 2021 stond de AOW op 66 jaar en 4 maanden en is de leeftijd stapsgewijs verhoogd richting 67 jaar, zo wijst NN. Sinds 1 juni 2026 zijn sommige pensioenuitvoerders volledig overgegaan op het nieuwe pensioenstelsel, maar AOW-leeftijden zijn tot 2026 vastgelegd. Controle van je pensioensituatie is daarom belangrijk, waaronder op Mijnpensioenoverzicht.nl en de regelingsteksten van werkgevers.
De AOW-leeftijd steeg richting 67 jaar, terwijl veel werkgeverspensioenen een richtleeftijd van 68 jaar hanteren.
Hoe de gaten ontstaan
Nederlanders bouwen pensioen op via drie bronnen: de AOW van de overheid, het werkgeverspensioen en individuele oplossingen zoals sparen, beleggen of lijfrentes, zo legt NN uit. Omdat veel werkgevers in hun pensioenregelingen een richtleeftijd van 68 jaar hanteren, ontstaat er vaker een timingverschil tussen wanneer de AOW begint en wanneer het werkgeverspensioen uitkeert. Dat kan betekenen dat iemand tijdelijk minder inkomen heeft als de ene pot eerder uitkeert dan de andere.
Concreet: wie AOW krijgt vanaf ongeveer 67 jaar kan nog een jaar wachten op het werkgeversdeel dat pas op 68 start. NN adviseert deelnemers om zowel Mijnpensioenoverzicht.nl als de pensioenregelingen van (voormalige) werkgevers te controleren, omdat pensioenleeftijden per regeling kunnen verschillen en dus per persoon andere gaten ontstaan.
Praktische wijzigingen en communicatie
NN meldt dat de Sociale Verzekeringsbank ongeveer vier maanden voor de AOW-leeftijd een brief stuurt waarmee AOW aangevraagd kan worden. Voor het werkgeverspensioen ontvangen deelnemers meestal zes tot negen maanden van tevoren een brief van hun pensioenuitvoerder met de keuzes die gemaakt moeten worden. Bij meerdere opgebouwde pensioenen komt daarvoor voor elk pensioen een aparte brief, wat tot verwarring kan leiden als letters op verschillende momenten binnenkomen.
Pensioenuitvoerders die per 1 juni 2026 zijn overgeschakeld naar het nieuwe stelsel hebben hun websites aangepast, maar tonen nog niet altijd alle functionaliteit. Een uitvoerder meldde dat deelnemers in 2026 al een eerste berekening hebben gekregen en dat de definitieve berekening later dit jaar volgt.
Die stap volgt voor veel deelnemers als onderdeel van het invaren naar het nieuwe stelsel.
Voor deelnemers die van baan willen wisselen is het advies van pensioenprofessionals om bij de (nieuwe) werkgever en het pensioenfonds na te vragen welke gevolgen dat heeft voor compensatierechten en de verdere pensioenopbouw. Dat is relevant omdat rechten en compensatie bij invaren uiteenlopen tussen actieve deelnemers en mensen die niet meer in dienst zijn.
Wie draagt de grootste last
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel heeft duidelijke distributieve gevolgen. ABN AMRO schetst dat de Wet toekomst pensioenen, die op 1 juli 2023 in werking trad, de overgang op gang heeft gebracht en dat pensioenfondsen nu invaren. Een belangrijke beleidswijziging is het afscheid van de doorsneesystematiek. Volgens ABN AMRO kunnen deelnemers van ongeveer 40 tot 55 jaar in de overgangsperiode nadeel ondervinden omdat zij in het oude systeem relatief veel premie hebben betaald ten opzichte van wat de nieuwe systematiek oplevert.
Compensatie is alleen bedoeld voor deelnemers die op het moment van invaren actief deelnamen aan de pensioenregeling; slapers en wie niet meer in dienst is, komen daar in principe niet voor in aanmerking. Dat maakt carrièresprongen en vroegere dienstverbanden relevant voor je uiteindelijke uitkering, en het verklaart waarom het advies van pensioenprofessionals om bij baanwissel goed te checken vaak wordt herhaald.
De netto hoogte van de uitkering hangt daarnaast van meerdere variabelen. BrightPensioen somt vijf hoofdinvloedfactoren op: bruto opgebouwde pensioenrechten, de belastingschijf waarin iemand valt, de AOW-uitkering, heffingskortingen en eventuele overige inkomsten. BrightPensioen wijst erop dat AOW’ers in 2026 een lager tarief betalen omdat zij geen AOW-premie meer afdragen, wat de nettobelastingdruk verlaagt.
Tegelijk waarschuwt BrightPensioen dat automatische loonheffing te laag kan zijn als iemand meerdere pensioenuitkeringen of andere inkomsten heeft. Dat kan leiden tot naheffingen bij de belastingaangifte, een risico dat nieuwe gepensioneerden vroegtijdig moeten inschatten bij hun jaaropgave en voorlopige aanslag.
In de praktijk betekent dit dat dezelfde bruto rechten bij verschillende mensen tot verschillende netto-uitkeringen leiden, afhankelijk van hun totale inkomen en heffingskortingen. Dat maakt individuele controle en planning belangrijk, zeker nu enkele uitvoerders nog werken aan definitieve berekeningen.
Tot slot veranderen administratieve termijnen en brieven de manier waarop mensen keuzes moeten maken. De combinatie van losse brieven voor elk pensioen en de stapeling van systematiekwijzigingen verhoogt de kans dat deelnemers belangrijke keuzes missen of te laat reageren.
Related Articles
- AEX +0,1% op 1.036, Nvidia jaagt S&P naar 7.600
- €20 miljoen voor oud-ASML'ers die chips diep doorlichten
- BTW: 21%, 9% of 0%, wanneer welk tarief geldt
Later dit jaar ontvangen deelnemers hun definitieve berekening; die moet voor veel mensen duidelijkheid geven of en hoe groot het inkomensgat tussen AOW en werkgeverspensioen daadwerkelijk wordt.
Dit artikel is gemaakt met behulp van AI.