Werkgevers krijgen vanaf 1 januari 2027 een nieuwe kostenpost: een jaarlijkse pseudo-eindheffing van 12% over de catalogusprijs van nieuwe benzine- en dieselauto's die werknemers privé gebruiken. De maatregel moet werkgevers stimuleren sneller over te stappen op emissievrije auto's. Voor bestaande auto's geldt een overgangsregeling. Per 1 januari 2028 wil het kabinet bovendien een nieuw box 3-stelsel invoeren, met vermogensaanwasbelasting als hoofdregel en een vermogenswinstbelasting voor vastgoed en start-up aandelen. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan; de Eerste Kamer hoorde deskundigen op 19 mei 2026 over uitvoerbaarheid.
1 januari 2028: dat is de beoogde ingangsdatum van het nieuwe box 3-stelsel, en het is het andere harde tijdspad in het Belastingplan 2026 naast de autoheffing voor werkgevers. De Tweede Kamer stemde het wetsvoorstel al door op 12 februari 2026. De Eerste Kamer voert nu de technische toetsing uit; de commissie voor Financiën nodigde op 19 mei 2026 deskundigen uit om te spreken over fiscale uitwerking, uitvoerbaarheid en de gevolgen voor burgers en bedrijven.
Wat verandert er voor vermogensrendementsheffing
De kern van het nieuwe stelsel is dat de forfaitaire heffing uit box 3 plaatsmaakt voor een systeem waarin vermogensaanwasbelasting de hoofdregel wordt. Voor bepaalde categorieën, met name onroerend goed en aandelen en winstbewijzen van start- en scale-ups, geldt een vermogenswinstbelasting bij realisatie. PwC noemt die opzet hybride: liquide beleggingen en sparen zouden jaarlijks worden belast over het werkelijk rendement, terwijl minder liquide bezittingen pas bij verkoop of andere realisatie heffing triggeren.
Die constructie heeft concrete administratieve gevolgen. PwC wijst erop dat jaarlijke waardering van bezittingen en schulden nodig is. Voor liquide posities kan dat betekenen dat belasting verschuldigd wordt over ongerealiseerde waardestijgingen, omdat die onder het nieuwe regime meewegen als werkelijk rendement. Tegelijk blijft tot de inwerkingtreding het huidige forfaitaire box 3-stelsel van kracht, en belastingplichtigen kunnen met de Wet tegenbewijsregeling box 3 aantonen dat hun werkelijke rendement lager was dan het forfaitaire rendement.
De wetsvoorsteltekst en de hoorzitting in de Eerste Kamer lieten twee centrale politieke knelpunten zien. Ten eerste de keuze tussen vermogensaanwasbelasting en een stelsel dat sterker inzet op vermogenswinstbelasting. Hoogleraar fiscale economie Edwin Heithuis van de Universiteit van Amsterdam noemde het plan "een compromis" en gaf de voorkeur aan een vermogenswinstbelasting. Andere deskundigen spraken zich uit over juridische houdbaarheid en mogelijke economische effecten.
12%: diezelfde harde cijferregel staat centraal in het pakket voor werkgevers. Vanaf 1 januari 2027 moeten werkgevers een pseudo-eindheffing van 12% van de catalogusprijs per jaar betalen voor nieuwe benzine- en dieselauto's die werknemers ook privé gebruiken. Volgens de Rijksoverheid dient die prikkel de transitie naar emissievrije wagenparken te versnellen.
Voor bestaande auto's geldt een overgangsregeling, zodat bedrijven tijd krijgen om hun vloot aan te passen.
Het Belastingplan 2026 bevat daarnaast ondernemersmaatregelen: per 1 januari 2026 wil het kabinet de belastingvrijheid voor bepaalde onkostenvergoedingen aan buitenlandse werknemers beperken. Het kabinet signaleert daarmee ook een effect op de aantrekkelijkheid van arbeidsmigratie voor werkgevers.
Voor ondernemers betekent het pakket dus twee soorten druk: hogere directe lasten op emissie-intensieve lease en poolauto's, en minder gunstige voorwaarden voor vergoedingen aan buitenlandse werknemers. Beide maatregelen zijn bedoeld als beleidssignaal, maar ze vragen concrete aanpassingen in loon- en wagenparkadministraties.
De uitvoerbaarheid blijft een belangrijk onderwerp. PwC analyseert het plan als technisch complex en noemt punten van uitvoerbaarheid en dekking. Volgens die analyse komt de staatssecretaris nog voor de zomer met een brief over uitvoerbaarheid en dekking. Afhankelijk van de uitkomst kan een novelle volgen om onderdelen van het wetsvoorstel aan te passen.
Politiek en bedrijfsleven zullen nauw kijken naar die brief. Als de uitvoerbaarheid tegenzit, liggen correcties of overgangsregimes voor de hand. Zijn uitvoering en dekking helder, dan ligt er vanaf 2027 en 2028 een concrete wijziging van fiscale prikkels voor respectievelijk werkgevers en vermogenseigenaren.
Related Articles
- Hypotheekrenteaftrek: 30 jaar of maandelijkse teruggave
- Starters in private huur: 35,1% van inkomen aan woonlasten
- Export goederen groeit 4,4% in april, havens voelen de druk
De staatssecretaris stuurt nog voor de zomer een brief over uitvoerbaarheid en dekking. Die brief bepaalt of de Eerste Kamer een novelle nodig heeft en welke onderdelen van het Belastingplan 2026 worden aangepast voordat er een definitief besluit komt.
Dit artikel is gemaakt met behulp van AI.