Starters in een private huurwoning besteden 35,1 procent van hun besteedbaar inkomen aan woonlasten, terwijl huiseigenaren die twintig jaar of langer in hun huis wonen gemiddeld slechts 15,2 procent kwijt zijn. Het Centraal Bureau voor de Statistiek ziet die kloof in de jaarlijkse Woonbase-cijfers, het gezamenlijke woononderzoek met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De data tonen dat woonvorm belangrijker lijkt dan hoe lang iemand op een adres woont, met stevige gevolgen voor betaalbaarheid en doorstroming. De uitkomsten sluiten aan bij signalen van de Woonlastenmonitor van de Stichting Nationale Hypotheek Garantie over oplopende druk onder huiseigenaren.

Woonvorm en woonduur staan tegenover elkaar: huurders in de private sector hebben beduidend hogere woonquoten dan eigenaren, ook wanneer beide recent verhuisd zijn.

Woonvorm versus woonduur

Het CBS rapporteert dat de woonquote, de totale woonlasten als percentage van het besteedbaar inkomen, vooral verschilt naar huursituatie. Huishoudens in private huur met een woonduur van minder dan vijf jaar scoren gemiddeld 31,0 procent, het hoogste van de CBS-categorieën. Binnen de specifieke groep huishoudens waarvan alle leden minder dan een jaar tevoren verhuisd zijn liggen de cijfers uiteen: eigenaren 23,4 procent, huurders bij woningcorporaties 26,5 procent en huurders in de private huursector 33,5 procent.

De absolute koploper binnen die laatste groep zijn huishoudens die uitsluitend uit starters bestaan en in een private huurwoning wonen, met een woonquote van 35,1 procent. Ter vergelijking, eigenaren met een woonduur van twintig jaar of langer melden de laagste woonquote, 15,2 procent. Kortere verblijfsduur vormt dus een extra lastenfactor voor zowel eigenaren als huurders, maar het effect is groter in de private huursector dan bij eigendom.

De Woonbase-gegevens geven ook een schaalbeeld van de bevolkingsgroepen. Ongeveer 125 duizend huishoudens bestaan uitsluitend uit starters, ongeveer 350 duizend uitsluitend uit doorstromers en circa 30 duizend uit een combinatie van starters en doorstromers. Binnen de categorie eigenaren zijn starters zwaarder belast dan doorstromers: starters houden een woonquote van 26,3 procent over tegen 22,9 procent voor doorstromers.

Regionaal zijn de verschillen voor starters met een eigen woning beperkt. Starters met een eigen woning in een van de vier grootste steden hebben ongeveer dezelfde woonquote als starters buiten die steden. Doorstromers vertonen daarentegen wel duidelijk een stadse premie: het CBS noteert mediane woonlasten voor doorstromers in de grote steden grofweg tussen €1.300 en €1.500, tegen ongeveer €1.200 in de rest van het land.

Maar de CBS-cijfers betreffen particuliere huishoudens in reguliere woningen en sluiten studentenhuishoudens en andere gedeelde adressen uit.

Nog een kanttekening: hoewel woonduur de druk vergroot, is het de combinatie van lage inkomens en duurhuur die bij starters in de private huursector de woonquote zo hoog maakt. De Woonbase-cijfers onderbouwen daarmee dat betaalbaarheidsvraagstukken niet slechts een kwestie van verhuisgedrag zijn maar sterk verankerd in de combinatie van huursituatie en inkomenspositie.

Brede signalen van betaalbaarheidsdruk

De CBS-cijfers staan niet op zichzelf.

De Woonlastenmonitor van de Stichting Nationale Hypotheek Garantie registreert een verslechtering onder huiseigenaren: 8,8 procent van de huiseigenaren geeft aan onvoldoende inkomen te hebben om alle lasten te betalen, het hoogste niveau sinds de start van die monitor in 2024. Het aandeel huishoudens dat veel moeite heeft met het betalen van woonlasten steeg naar 4,3 procent en 7,3 procent van de woningbezitters zegt ooit een betalingsachterstand op de hypotheek te hebben gehad.

Roald van der Linde, directeur-bestuurder van NHG, zegt dat de cijfers laten zien dat de druk op huishoudens opnieuw toeneemt en dat betaalbaarheidsproblemen zich verbreden naar middeninkomens en jongere eigenaren. Die waarschuwing plaatst de CBS-woonquotecijfers in een breder beleidskader: niet alleen lage inkomens in huur, maar ook middeninkomens en relatief jonge eigenaren lopen risico op betalingsstress.

Voor beleidsmakers zijn twee vragen relevant: hoe voorkomen we dat starters in de private huursector vastlopen, en hoe worden maatregelen voor huiseigenaren en huurders zo ingericht dat ze de juiste groepen bereiken? De Woonbase-methodiek, die sinds 2022 jaarlijks woonquotecijfers levert, geeft het CBS en het ministerie een terugkerend meetinstrument om zulke effecten te volgen.

Related Articles

De belangrijkste conclusie is helder: starters in private huur besteden 35,1 procent van hun besteedbaar inkomen aan woonlasten. Het Woonbase-jaarcijfer en de NHG-Woonlastenmonitor bieden beleidsmakers nu een terugkerend meetpunt om te beoordelen of maatregelen de betaalbaarheid verbeteren.

Dit artikel is gemaakt met behulp van AI.